Marjet is programmaleider bestaanszekerheid en waardevol werken bij Movisie en ook moeder van een zoon met langdurige psychische problemen. Zij ging in de plenaire online bijeenkomst van het waardentwerk Volwaardig burgerschap op 1 juli 2025 in op bovenstaande vragen en verbond die aan het rapport Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Haar eigen verhaal: kan ik nog moeder zijn?
Marjet van Houten kan het verhaal uit de eerste hand vertellen. Haar zoon – die onder andere de labels OCHD en autisme heeft – trok zich bij de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs volledig terug uit de wereld. Hij verdween onder een deken op zijn kamer. “Hij leefde in andere werelden die hem ontzettend beangstigden”, zei ze. “Tot zijn twintigste hebben we met 129 verschillende professionals in de hulpverlening te maken gehad.” Ze vroeg zich op een gegeven moment af: kan en mag in nog wel moeder zijn? In die vraag vonden zij en haar man elkaar: “Mijn man en ik zeiden: wij willen niet meer het instrument zijn dat hem verandert. Want dat verbreekt de verbinding."
Het omslagpunt kwam vervolgens toen een hulpverlener niet opgaf en zeven weken lang steeds terugkwam om op de trap voor zijn deur te zitten, om contact te maken. Na die zeven weken ging de deur voor het eerst op een kiertje. Hiermee werd de start gemaakt voor zijn herstel.
Exemplarisch voor veel thuiszitters en uitvallers
Waarom vertelde Marjet dit? Ze gebruikte het ter illustratie om duidelijk te maken dat het verhaal van haar zoon niet uniek is. “Er zijn ongeveer 70.000 thuiszittters en nog veel meer mensen die later uitvallen of er nooit meer inkomen”, zei ze. Haar verhaal is in de media gepubliceerd en ontving binnen twee weken meer dan vijftig reacties van ouders die in dezelfde situatie zitten. Dit is het topje van de ijsberg en laat zien hoe groot het probleem is. Dat vraagt om systemische veranderingen, concludeerde zij daarom.
Interessant was dat zij hierbij een lijn legde naar het rapport Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Dit rapport benadrukt het gegeven dat meedoen in de maatschappij niet alleen afhangt van kennis en vaardigheden, maar ook van wat de WRR ‘doenvermogen’ noemt. Ze bedoelt hiermee de mentale vermogens die iemand nodig heeft zoals alertheid, het vermogen om in actie te komen en het hoofd koel te houden. “Dat doenvermogen dat kunnen mensen niet aanspreken als ze in een behoorlijke stresssituatie zitten”, zei ze. “Dit bemoeilijkt hun participatie in de maatschappij.” De lijn naar haar eigen zoon en naar die 70.000 thuiszitters en uitvallers was duidelijk.
Waardevol werken
Om iedereen te kunnen laten meedoen op de arbeidsmarkt, is een fundamentele verandering in ons denken over werk nodig. We moeten afstappen van de vaste normen en hoge verwachtingen over wat ‘goed werk’ zou moeten zijn. Die normativiteit sluit mensen uit, vooral mensen met beperkingen, terwijl zij wel degelijk kunnen bijdragen.
Als we uitgaan van het principe dat 'mensen goed zijn zoals ze zijn', dan vraagt dat om meer ruimte voor verschil. Dat betekent dat we werk breder moeten definiëren, zodat ook andere vormen van bijdragen – passend bij iemands mogelijkheden – worden gewaardeerd. Het gaat dan om vrijwilligerswerk, mantelzorg, dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk. Mensen die werken tellen volledig en volwaardig mee. Deze omkering in denken noemen we waardevol werken. Alleen dan ontstaat er écht een inclusieve arbeidsmarkt waarin iedereen een plek kan vinden.
Vrijplaatsen
Maar er is meer nodig. Daarom ging Marjet van Houten vervolgens uitgebreid in op de vrijplaatsen waarnaar zij voor haar eigen gezinssituatie op zoek was gegaan, en die ook een belangrijke rol spelen in haar werk bij Movisie. Samen met stichting Gedragswerk* richtte ze het initiatievencollectief Meer routes voor leren en ontwikkelen op, om de plekken die op dit gebied bestonden aan elkaar te verbinden en hun benadering in beeld te brengen. Ontwikkeling staat daarin centraal. We moeten het niet meer hebben over leerplicht maar over ontwikkelrecht. *Stichting Gedragswerk richt zich op complexe thuiszittende, leerplichtige jongeren met gedragsproblemen.
De werkzame principes van deze intiatieven zijn samengevat in de vijf fasen van de ontwikkelingsgerichte benadering. De eerste daarvan is de landingsfase, waarin mensen de tijd krijgen om te landen en te herstellen van trauma’s en uitputting. “Die kan soms wel eens een jaar duren. Er is een soort splitsing ontstaan tussen de jongeren die ze moeten zijn en de jongeren die ze echt zijn”, zei ze hierover. De andere vier fasen zijn: verkennen, meters maken, perspectief bieden en nazorg.
.png)
De waarde van verbinding
Kernvraag bij dit proces is: wat brengt mensen in beweging? “Dat is verbinding”, zei ze, “sociale verbinding is de sleutel tot succes.” Het gevoel dat je ergens bij hoort en dat je waardevol bent, is een krachtige motivator. Dit benadrukt, stelde zij, hoe belangrijk het is om af te stappen van het medische model en meer te denken in termen van sociale modellen die gericht zijn op verbinding en collectiviteit.
Vrijplaatsen, plekken waar mensen zich welkom en gewaardeerd voelen zoals ze zijn, zijn hierbij essentieel voor mensen die uitvallen. Ze bieden een veilige omgeving waarin zij in hun eigen tempo kunnen herstellen en groeien. Probleem is echter dat het steeds niet lukt om zulke vrijplaatsen voor thuiszittersinitiatieven voet aan de grond te laten krijgen, omdat ze niet passen in het financieringssysteem van zorg, maar ook niet in dat van onderwijs. Dit maakt het zo moeilijk om initiatieven, die een antwoord bieden voor de jongeren over wie zij het heeft, duurzaam succesvol te maken.
Wat dus nodig is, is ruimte maken voor initiatieven die buiten de gebaande paden treden. “Je hebt initiatieven nodig op lokaal niveau waar energie in zit en waar mensen welkom zijn”, zei ze. Ook onderstreepte ze het belang van ‘verbondgenoten’, landelijke initiatieven die hierin ondersteuning bieden. Op die manier kan de maatschappelijke verandering tot stand worden gebracht die nodig is. “Hoop ik”, zei ze er afsluitend bij.
Vragen
In de aansluitende vragenronde vroeg een van de aanwezigen zich – in relatie tot het onderwerp waardevol werken – af of hiervoor niet juist de Wet banengarantie bedoeld is. In theorie wel, reageerde Marjet van Houten. Maar in de praktijk gaat de groei van dat soort banen ongelooflijk langzaam. Slechts vijftien procent van de werkgevers heeft iemand met een arbeidsbeperking in dienst, dit percentage is in de afgelopen jaren niet gestegen. Ook een IPS trainer stond stil bij het thema werk. Zij merkte op dat jongeren die in aanmerking willen komen voor werk vaak niet binnen de kaders van die Wet banengarantie willen vallen. Dat geeft hun wat zij noemde een soort ‘maatschappelijke tatoeage’ terwijl ze juist normaal willen zijn.
Interessant in relatie tot dit ‘normaal zijn’ is wat Marjet van Houten opmerkte over mensen die uit de activiteitenbegeleiding in de ggz komen. “Die bleken dan in het echte leven veel meer te kunnen dan ze in die setting konden”, zei ze. Voor deze mensen onderstreepte ze het belang van simpel switchen, het landelijk programma van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat drempels en belemmeringen voor mensen wil wegnemen die willen overstappen tussen uitkering, dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk.
Het gaat dus om zorg verlenen vanuit een andere houding dan nu vaak het geval is. Een positief mensbeeld, volledige acceptatie en werken vanuit wat de persoon beweegt is meer helpend dan vanuit problematiseren, ziekte, het creëren van voorwaarden en aanbod’.