Voor de ggz stonden vooral de opleidingscapaciteit voor gz-psychologen en de positie van kinder- en jeugdpsychologen centraal.
Brede zorgen over opleidingscapaciteit gz-psychologen
Een belangrijk discussiepunt was het besluit om minder opleidingsplaatsen voor gz-psychologen beschikbaar te stellen dan het Capaciteitsorgaan adviseert. SGP, SP, JA21, CDA en Pro uitten hierover zorgen en verwezen naar signalen uit het veld, waaronder de brandbrief die door de Nederlandse ggz mede is ondertekend.
Kamerleden vroegen hoe de minister kan garanderen dat er voldoende gz-psychologen beschikbaar blijven om aan de toenemende zorgvraag te voldoen. Daarbij werd gewezen op het advies van het Capaciteitsorgaan om meer opleidingsplaatsen beschikbaar te stellen.
Minister Sterk gaf aan dat bij de besluitvorming niet alleen is gekeken naar de ramingen van het Capaciteitsorgaan, maar ook naar afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Daarbij wordt uitgegaan van een andere inrichting van de zorg, waarbij taken vaker op een passend niveau worden belegd. Daarnaast wees zij erop dat de ggz-sector ook zelf opleidt.
Volgens de minister ligt de uitdaging niet primair bij het totale aantal gz-psychologen, maar bij hun inzet. Zij benadrukte dat meer opleidingsplaatsen niet automatisch leiden tot meer professionals op de plekken waar de grootste behoefte bestaat, zoals in de acute ggz.
Positie kinder- en jeugdpsychologen blijft knelpunt
Ook de positie van kinder- en jeugdpsychologen kwam uitgebreid aan bod en vormde een belangrijk discussiepunt in het debat. Meerdere partijen vroegen om een overgangsregeling voor professionals die door wijzigingen in regelgeving en beroepsstructuren niet als gz-psycholoog kunnen werken, mede vanwege eerder gewekte verwachtingen.
De minister stelde dat het besluit over de positionering van kinder- en jeugdpsychologen niet bij de overheid ligt, maar bij het kwaliteitsregister en de sector zelf. Volgens haar kunnen zij niet automatisch worden gelijkgesteld aan gz-psychologen vanwege verschillen in opleidingsroutes.
Wel gaf de minister aan te willen kijken naar een verkorte route richting registratie als gz-psycholoog binnen de bestaande opleidingscapaciteit.
Stageplaatsen en arbeidsmarkt
Ook het tekort aan stageplaatsen in de zorg en de bredere arbeidsmarktproblematiek kwamen aan de orde. Kamerleden vroegen hoe voldoende stageplekken met goede begeleiding behouden kunnen blijven en hoe de instroom in de zorg kan worden vergroot.
Daarnaast werd gesproken over de toekomst van het stagefonds. Meerdere partijen dienden moties in die oproepen om te onderzoeken wat nodig is voor voldoende kwalitatieve stageplekken en om te komen tot een plan van aanpak voor het structurele tekort aan stageplaatsen.
Ook administratieve lasten kwamen kort aan bod, waarbij partijen opriepen tot verdere vermindering van regeldruk zodat zorgprofessionals meer tijd kunnen besteden aan directe patiƫntenzorg.
Toezeggingen en vervolg
Aan het einde van het debat zijn moties ingediend over onder meer het tekort aan stageplaatsen en de toekomst van het stagefonds, administratieve lasten, de loonkloof in de zorgsector en de positie van fysiotherapeuten.
Voor de ggz is met name de motie relevant die de regering oproept een passende overgangsregeling te treffen voor kinder- en jeugdpsychologen die niet als gz-psycholoog aan de slag kunnen.
Daarnaast zijn moties ingediend over het structurele tekort aan stageplaatsen, inclusief verzoeken om een plan van aanpak en onderzoek naar wat nodig is voor voldoende kwalitatieve stageplekken met begeleiding en de mogelijke rol van het stagefonds daarin.
Verder zijn moties ingediend over het in kaart brengen van de loonkloof in de zorg, het verminderen van administratieve lasten en afspraken rond eerstelijnsfysiotherapie.
De stemming over de moties vindt plaats op dinsdag 16 juni.