De uitspraak van de rechtbank Amsterdam gaat over een klacht tegen een door Arkin ingevoerd rookverbod in de binnentuin. De centrale vraag was of het rookverbod, zoals opgenomen in de huisregels, zich mocht uitstrekken tot de (gehele) binnentuin van de instelling. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank oordeelde dat de binnentuin onderdeel is van de instelling/het gebouw, waardoor Arkin op grond van de Tabaks- en rookwarenwet en het Tabaks- en rookwarenbesluit verplicht was een rookverbod in te voeren in de binnentuin. Daarnaast toetst de rechtbank het rookverbod aan de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens de rechtbank voldoet het verbod aan deze vereisten. Daarbij is van belang dat het eerdere beleid, waarbij cliënten nog in de binnentuin mochten roken, onvoldoende handhaafbaar bleek en leidde tot onveilige situaties voor zowel cliënten als medewerkers. Ook weegt de rechtbank mee dat de cliëntenraad zelf had verzocht om een rookverbod in de binnentuin vanwege de ontstane veiligheidsproblemen. Het nieuwe rookbeleid is dan ook noodzakelijk voor een ordelijke gang van zaken binnen de instelling en de veiligheid van alle betrokken personen. Verder stelt de rechtbank vast dat Arkin cliënten zoveel mogelijk ondersteuning biedt door middel van behandeling, begeleiding en alternatieven voor het roken. Gelet op de wettelijke verplichtingen en de noodzaak van het rookverbod kan van Arkin volgens de rechtbank niet worden verlangd dat zij verdergaande voorzieningen treft. Het door Arkin ingevoerde rookverbod in de binnentuin blijft in stand.