De gevraagde richtlijn is door de adviescommissie opgesteld in de periode april-oktober 2025. In deze periode heeft de commissie de voor het passend bewijs relevante bewijsmethoden in kaart gebracht. Dit is gebeurd aan de hand van literatuurstudie, ervaringen en richtlijnen op verschillende wetenschappelijke terreinen en in andere landen, interviews met experts en gesprekken met stakeholders. Het rapport is bedoeld voor onderzoekers en beleidsmakers die interventies en beleidsmaatregelen beoordelen op kosten en baten, onderzoek uitvoeren naar effectief beleid of beleidsmaatregelen (willen) invoeren. Het rapport bouwt voort op de conclusies van het rapport Preventie op waarde schatten van de technische werkgroep Kosten en baten van preventie waarin het probleem van vaak ontoereikende methodologie wordt geconstateerd.
De eerste conclusie van de Adviescommissie richtlijn passend bewijs preventie is dat er ongeacht de maatregel en de context sprake moet zijn van overtuigend bewijs van de effectiviteit van een maatregel in de doelgroep waarop de maatregel zich richt. De adviescommissie heeft daarom een duidelijke ondergrens vastgesteld waar het gaat om het vaststellen van effectiviteit. Deze ondergrens kan als volgt worden samengevat: passend bewijs vereist minimaal inzicht in wat de uitkomst zou zijn zonder de maatregel. Dat betekent dat in elk geval duidelijk moet zijn welke hypothetische uitkomst zou zijn opgetreden als een bepaalde interventie of beleidsmaatregel niet had plaatsgevonden. Passend bewijs vraagt dus naast een interventiegroep om een controle(groep). Dit geldt voor alle maatregelen, ook als deze meervoudig of complex zijn. Deze ondergrens is bepaald aan de hand van de stand van de wetenschappelijke literatuur en geïllustreerd aan de hand van voorbeelden die laten zien dat deze ondergrens in de praktijk in uiteenlopende domeinen haalbaar is.
De tweede conclusie van de adviescommissie is dat veel studies in een andere context zijn uitgevoerd en niet direct vergelijkbaar zijn met de context waar de beleidsbeslissing betrekking op heeft. Dat stelt eisen aan het beoordelen van de toepasbaarheid, nadat vastgesteld is dat het bewijs van effectiviteit passend is. Dit vraagt in deze gevallen om een nauwgezette analyse van de context, van de werkzame elementen en mogelijkheden tot implementatie waar het gaat om interventies.
De derde conclusie van de adviescommissie is dat het vaststellen van langetermijneffecten onderdeel is van passend bewijs. Veel interventies hebben pas op langere termijn meetbare effecten waardoor een beoordeling van interventies op effectiviteit op korte termijn vaak negatief uitvalt. Een probleem hierbij is dat er dikwijls geen tijd is om langetermijneffecten af te wachten, zeker niet wanneer effecten zich over een periode van decennia manifesteren. De commissie adviseert daarom om beschikbare en betrouwbare intermediaire uitkomstmaten te gebruiken die indicatief zijn voor langetermijneffecten. Deze uitkomstmaten moeten beschreven zijn in de wetenschappelijke literatuur en onderdeel zijn van de effectmeting.