Dit vraagstuk werd besproken in de themasessie Herstel en verbinden één van de 3 thema’s waarvoor deelnemers konden kiezen. De themasessie was goedbezocht door zo’n 30 mensen afkomstig vanuit laagdrempelige steunpunten, de ggz en de VNG, VWS, ZN.
Belang van het vraagstuk
Het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten, waar ook mensen met ernstige psychische kwetsbaarheid zich welkom voelen, is een IZA-opgave. Om van deze steunpunten een basisfunctionaliteit te maken die gemeenten moeten leveren, wordt nu een inkoopkader ontworpen. Waarbij de vraag naar voren komt, waaraan moet een laagdrempelig steunpunt voldoen, wat moet het doen en hoe meten we dat?
Moderator was Liesbeth van Gent, Netwerkcoördinator Waardenetwerk Volwaardig burgerschap en de sprekers:
- Sonja Visser, directeur van de Nederlandse vereniging voor Zelfregie en Herstel over de highlights uit het IPW-rapport De waarde van zelfregie en herstelinitiatieven.
- Marloes van Wezel, promovendus vanuit Tranzo (Tilburg University) en Trimbos, deelt haar kwantitatieve en kwalitatieve onderzoek naar herstelacademies. Vervolgens gaan zij en de deelnemers met elkaar in gesprek over hoe verantwoording eruit ziet dat recht doet aan herstel, betekenis en lokale praktijk.
Highlights uit het rapport “De waarde van zelfregie en herstelinitiatieven”
Het rapport De waarde van zelfregie en herstelinitiatieven beschrijft de resultaten van onderzoek in opdracht van Zorginstituut Nederland, uitgevoerd door Het Instituut voor Publieke Waarden.
Hoe meet je herstel?
Sonja stelt aan de aanwezigen de vraag: ‘Als je een mooi herstelverhaal kent, wat was daarvan dan zichtbaar?’. Antwoorden concentreren zich rond: ‘Iemand die weer straalt’, ‘lichtjes weer terug in de ogen’ en ‘opgeruimde en schone leefomgeving’. Ook: ‘Iemand die echt zelfstandig is geworden en zijn plannen echt ging uitvoeren’. Sonja: “Herkenbare antwoorden, en hoe meet je dit nu?”.
Theory of Change
Sonja legt uit hoe in het onderzoek wordt uitgegaan van de Theory of Change: waarbij de klassieke productieketen wordt omgedraaid. We beginnen bij de gewenste maatschappelijke impact en werken terug naar outcome , output, activiteiten en input. niet alleen op verandering.
- Impact: wat willen we bereiken voor mensen?
- Outcome: hoe weten we of dat gelukt is?
- Output: kunnen we dat kwantificeren?
- Activiteiten: wat moeten we dan gaan doen?
- Input: wat hebben we daarvoor nodig?
Impact
In het onderzoek is de impact van de Zelfregie en herstelinitiatieven beschreven vanuit de waarde voor deelnemers en samenleving: ‘een bijdrage aan de mentale volksgezondheid en een veerkrachtige samenleving’.
Outcome
De outcome van de onderzochte zelfregie- en herstelinitiatieven wordt door dit onderzoek vooral kwalitatief onderbouwd: deelnemers ervaren meer grip, sociale rollen, zingeving en minder zorgbehoefte, of zoals eerder werd genoemd ‘lichtjes in de ogen’. Ook collectief ontstaat meer verbondenheid, minder eenzaamheid en minder stigma.
Er is internationaal bewijs voor positieve effecten aanwezig, maar systematisch Nederlands onderzoek en meting van collectieve impact ontbreken nog.
Herstel is een traag proces
“Het gaat bij zelfregie en herstel vaak over trage processen”, zei Sonja. “Mensen zeggen zich niet meer van waarde te voelen. Het proces om weer gezien te worden als iemand die wat te brengen heeft, kan zeven maanden duren, maar ook zeven jaar. Hoe vertaal je dat in waarde? We willen ruimte om dit samen verder vorm te geven.”
Betekenis en effectiviteit van herstelacademies door Marloes van Wezel
Kwantitatief onderzoek
Marloes verrichtte promotieonderzoek naar de betekenis en effectiviteit van herstelacademies. Omdat in beleid en wetenschap vaak kwantitatieve metingen worden gebruikt, deed zij een kwantitatieve studie op basis van vragenlijsten voor deelnemers aan herstelacademies en een controlegroep. Beiden werden hiermee twee jaar gevolgd. “We zagen dat de groepen vergelijkbaar scoorden en dat er geen verschil in de loop van de tijd was tussen de twee groepen”. “Gebeurt er dan niets in die herstelacademies? Nee, dat zeker niet. Met kwantitatief onderzoek kun je de impact niet (altijd) meten omdat de context en de diversiteit van wat mensen doen/halen bij een herstelacademie heel erg verschilt.
Kwalitatief dagboek onderzoek
Om een breder beeld te krijgen, verrichtte zij ook kwalitatief onderzoek naar wat deelnemers zeggen over die waarde. Dit leidde tot reacties als ‘gehoord en gezien worden’, ‘jezelf laten horen en zien’, bouwen aan een positief’, ‘vertrouwen krijgen’ en ‘hoop vinden’. “Die processen spelen zich af in de herstelacademie en er omheen en die twee beïnvloeden elkaar ook”, vertelde ze. Voor verdiepend inzicht maakte ze gebruik van de dagboek-interview methode over: zingeving & voldoening, sociale steun, (h)erkenning, zelfbeeld & vertrouwen en eigen regie & empowerment, en of de aanwezigheid van de herstelacademie hierin een rol speelde. Dit bood ruimte voor alles wat er speelt in het leven en invloed heeft op herstelprocessen. Het toonde aan wat voor het individu de academie betekent in die context op dat moment.
Ter illustratie toonde Marloes de reflectie van Emma. Die stelde dat ze bij de herstelacademie meer terugkreeg naarmate ze zich meer open stelde. ‘Mensen gaan me waarderen en daardoor durf ik nieuwe dingen te gaan proberen.’
Afsluitend vroeg Marloes zich af of meten echt weten is. “Om te bepalen wat effectiviteit, impact is, moet je je steeds afvragen hoe je recht doet aan de individuele context – die grillig is – en de rol van de herstelacademie (die ook flexibel en dus niet eenduidig is). Dus leren van ervaringskennis en voorbij ‘meten is weten’ komen.”
Waarom en hoe meet jij impact? Gesprek met deelnemers
Wie heeft ervaring met het meten van impact van een laagdrempelig steunpunt was de vraag waarop we met deelnemers gingen verdiepen. Daarbij is het van belang te onderscheiden of je het over individuele impact of collectieve impact hebt. En na te denken over waarom de impact wilt meten? Is dat om er zelf van te leren? Of om je te verantwoorden naar je opdrachtgever?
Om zelf te verbeteren
Ggz-agoog Carina Vegter gaf als voorbeeld een samenwerking vanuit ggz met gemeente en welzijn om studenten de waarde van herstelruimte te laten onderzoeken. Ze gebruikten het Reflectie-instrument-voor-zelfregie-en-herstelinitiatieven-in-Nederland-april-2024.pdf om te bepalen: waar staan we en welke verbeterstappen kunnen worden gezet. “Daaruit kwam dat we te bang waren om de vrije ruimte te beperken waardoor er niets ontstond. En dat we ons meer moeten richten op co-creatie”, vertelde ze. “Niet sturend, maar wel vragen waar de behoefte ligt en wat we in antwoord daarop eventueel verder moeten ontwikkelen.”
In Twente staan ze aan de vooravond om laagdrempelige steunpunten te realiseren, maar wanneer heb je het nu goed gedaan? Vanuit welk perspectief definieer je nu je waarde? Marloes: wat heeft dit betekent voor Enik? En welke inzichten heb je uit het dagboek gehaald?
Marloes: Door de onderzoek hebben wij geleerd om gesprekken te voeren over waardegedreven dilemma’s. De vrije ruimte die wordt geboden is de rode draad, maar het is ook moeilijk om daarop te navigeren. “Dus hoe richten we onze herstelpraktijk daar verder op in? Werken met vrijwilligers geeft ruimte om het proces in co-creatie vorm te geven. Maar naarmate meer mensen betrokken worden moet je meer dingen organiseren. Dan wordt het een uitdaging de vrije ruimte niet te beperken.”
Meten voor de opdrachtgever
Een ander aandachtspunt is volgens Sonja, dat zelfregie- en herstelorganisaties niet ingericht zijn op het beschrijven, vastleggen en analyseren van verhalen als basis om er trends in te zien en onderzoek op te verrichten. Wie betaalt dat? We registreren bijvoorbeeld niet. Willen we capaciteit gaan inrichten om te gaan meten. Of moeten we nog verder uit out of de box en heel anders gaan meten?
Een vraag die ook aan de orde kwam, was wat gemeenten willen van zelfregie- en herstelorganisaties. Jaap Prins, ervaringsdeskundig coördinator herstelacademie in de wijk, reageerde: “Onze gemeente stuurt echt aan op kwantitatieve cijfers: aantal bezoekers en hun tevredenheid. De ruimte om meer op kwaliteit en individuele impact te zitten, krijgen we dus niet. We scoren gemiddeld een acht, maar dat zegt niets over de impact die we hebben op onze deelnemers.” Deze ervaring bleken meer deelnemers te herkennen.
Re-integratiecoach Ita de Hes opperde het voorstel de waarde van zelfregie- en herstelorganisaties vanuit de andere kant te beredeneren: Wat zou het effect zijn als wij er niet waren? Was dan je kind uit huis geplaatst? Was je dakloos geworden? Ook dat is een manier om impact te meten.
Conclusie
Het moet een combinatie van tellen en vertellen zijn, stelde Sonja. In theorie bestaat daar wel consensus over, maar in de praktijk is het toch lastig.
Het risico op ‘instrumentalisme’ is groot, zo leerde deze bijeenkomst. Instrumentalisme betekent dat je mensen, praktijken of initiatieven vooral beoordeelt op meetbare opbrengsten, alsof ze een instrument zijn om vooraf vastgestelde doelen te halen. Waarde wordt dan pas erkend als die zich laat vangen in cijfers, indicatoren of vooraf bedachte effecten. In dit geval: een laagdrempelig steunpunt heeft impact als het leidt tot minder zorggebruik. Dit lijkt voorbij te gaan aan de intrinsieke waarde van het laagdrempelige steunpunt.
Een onderzoek naar de waarde/impact van respijthuizen: https://lumen-hollandrijnland.nl/wp-content/uploads/2025/11/DEF-2025_bureau51_Respijthuizen-Lumen-1.pdf