Het doel was om inzicht te krijgen in de benodigde regionale capaciteit en de invloed van regiokenmerken zoals stedelijkheid en sociaaleconomische status (SES). En om aanknopingspunten te vinden om te leren van elkaar.
Zeven ggz-instellingen uit acht zorgkantoorregio’s namen deel aan het onderzoek. De dataverzameling bestond uit kwantitatieve gegevens (zoals cliëntenaantallen, personeel, omzet) en groepsgesprekken met professionals en samenwerkingspartners. De analyse toont grote regionale variatie in zorggebruik, behandelduur en organisatievormen. Stedelijkheid blijkt een betere voorspeller van zorggebruik dan SES, hoewel dit niet overal geldt (en de verwachting anders was). In sommige regio’s is de behandelduur kort door goede doorstroom naar vervolgzorg, terwijl andere kampen met opstopping door gebrek aan alternatieven.
De HIC-capaciteit voldoet gemiddeld aan de vuistregel van 1 bed per 20.000 inwoners, maar de bezetting is vaak hoog en kwetsbaar bij piekbelasting. IHT is moeilijker af te bakenen, maar lijkt potentieel geschikt voor normering. FACT-zorg kent de grootste variatie en is lastig te standaardiseren.
Het rapport concludeert dat een landelijke formule voor capaciteitsplanning niet haalbaar is vanwege de complexiteit en regionale verschillen. Wel wordt een bescheiden versterking van de ambulante cruciale ggz aanbevolen, met aandacht voor multidisciplinaire teams, betere samenwerking in netwerken en investeringen in de sociale basis. De onderzoekers pleiten voor een landelijk gedragen scenario en benadrukken het belang van kwalitatieve audits en regionale regie.
Hoe nu verder
Het onderzoek is enorm rijk aan informatie. Wij zien allerlei aanknopingspunten om het leren van elkaar mogelijk te maken. Begin oktober gaan we het rapport met de deelnemende ggz-aanbieders bespreken, onder leiding van Elsbeth de Ruijter die de bestuurlijke trekker van dit onderzoek was. Hierin zullen we ook het vervolgtraject bespreken.